Vroeger rond 200 voor Christus had het Romeinse rijk een senaat. De senaat was een groep mensen die de baas waren in dat rijk. Meestal waren dit rijke en belangrijke mensen. De rest van het volk had niets te zeggen en het verschil tussen arm en rijk was enorm groot. Zo had je rijke landmeesters met veel slaven en een slaaf zelf die slecht werd behandeld. Het volk streefde naar een echte leider die hun land sterk kon maken. Deze kwam er ook. De eerste keizer van het Romeinse rijk was niemand minder dan Julius Caesar. Hij was een harde man en wou dat het Romeinse rijk meer macht kreeg. Zo zorgde hij voor meer grond en stond hij bekend om de vele veldslagen die werden gewonnen. Elke keizer heeft wel iets voor het Romeinse rijk gedaan.
Het Romeinse rijk had ook veel goden. Deze hadden ze overgenomen van de Grieken. Zo hadden ze voor de oppergod Zeus bij de Romeinen de oppergod Jupiter. Zo had je Jupiter, Mars, Neptunes, Apollo en vele anderen goden. Een bekende bij het leger is natuurlijk de oorlogsgod Mars. Als je een offer aan hem gaf dan zou hij jullie bij de veldslag bijstaan en jullie naar de overwinning leiden. Als je dan stierf in een gevecht ging je naar de onderwereld de god daarvan is Pluto.
In het jaar 476 na Christus viel het Romeinse rijk in 2 delen. Het westen werd veroverd door de Germanen, Britten en vele anderen volkeren. Zo viel dus ook de hoofdstad Rome. Het oosten van het Romeinse rijk bleef nog 2000 jaar lang bestaan. Deze worden geregeerd door andere keizers.